ZokuAmsterdam.NL Adresses Booking Apartheids & Discrimination Groenlinks

ZokuAmsterdam.NL Adresses Booking Apartheids & Discrimination Groenlinks

Venster Acties en details

€ 101,99

Locatie

Delflandlaan1

Delflandlaan 1

Temple-Mr Data Amsterdam West

1062 EA Amsterdam

Netherlands

Kaart bekijken

Restitutiebeleid

Neem contact op met de organisator om een restitutie aan te vragen.

Eventbrite-kosten zijn niet restitueerbaar.

Wat verschil tussen indirecte-Discriminatie (0jr), gijzeling(15jr) Apartheid (30jr) in stand houden 355Sr?

Over dit evenement

Bwb-id:BWBR0015252

Officiele titel: Wet van 19 juni 2003, houdende regels met betrekking tot ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (Wet internationale misdrijven)

Citeertitel:Wet internationale misdrijven Ook bekend als:

WIM Soort regeling:

Wet Wetsfamilies:

Wet internationale misdrijven

Eerst verantwoordelijk ministerie:

Veiligheid en Justitie

Geldigheidsdatum:

12 maart 2022

Ingangsdatum:

1 januari 2013

Stel een juridische vraag

§ 2. Strafbepalingen

Artikel 4

1.Als schuldig aan een misdrijf tegen de menselijkheid wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie, hij die een van de volgende handelingen begaat, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval:

a. opzettelijk doden;

b. uitroeiing;

c. slavernij;

d. deportatie of onder dwang overbrengen van bevolking;

e. gevangenneming of andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht;

f. marteling;

g. verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie, of enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst;

h. vervolging van een identificeerbare groep of collectiviteit op politieke gronden, omdat deze tot een bepaald ras of een bepaalde nationaliteit behoort, op etnische, culturele of godsdienstige gronden, op grond van geslacht of op andere gronden die universeel zijn erkend als ontoelaatbaar krachtens internationaal recht, in verband met een in dit lid bedoelde handeling of enig ander misdrijf omschreven in deze wet;

i. gedwongen verdwijning van een persoon;

j. apartheid;

k. andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt.

Titel XVIII. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid

Artikel 282a

1.Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen wordt als schuldig aan gijzeling gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2.Indien het feit de dood ten gevolge heeft wordt hij gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3.Het vierde lid van artikel 282 is toepasselijk.

Nederlandse jeugdzorg schendt internationaal recht

In deze bijdrage zet ik de problematiek in de jeugdzorg op hoofdlijnen uiteen, en betoog ik dat de huidige Nederlandse praktijk in strijd is met internationaal recht.

Eerst schets ik kort het juridisch kader. Vervolgens bespreek ik wat er volgens mij mis is. Tot slot betoog ik dat het wenselijk is dat Nederland op de vingers wordt getikt door het Europees Hof in Straatsburg omdat onze overheid het recht op family life van art. 8 EVRM, en – in het verlengde daarvan – de rechten van ouders en kinderen al jarenlang stelselmatig schendt.

Internationaal juridisch kader

In art. 16 lid 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties is bepaald dat het gezin in feite fungeert als hoeksteen van de samenleving:

Het gezin is de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.

In een aantal internationale verdragen dat door Nederland is geratificeerd, is het recht op family life (gezinsleven) geregeld. In de preambules bij die verdragen wordt steeds verwezen naar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN.

In het BUPO-verdrag (New York, 1966) vinden we in art. 23 lid 1 een vergelijkbare bepaling waar het gezin eveneens een beschermde status toekomt:

Het gezin vormt de natuurlijke en fundamentele kern van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.

In art. 8 EVRM vinden we opnieuw het recht op family life. Het EVRM, ook wel het Verdrag van Rome, is in 1950 tot stand gekomen tussen de leden van de Raad van Europa. Vanwege art. 94 Grondwet heeft het verdrag directe werking. Dat betekent dat de rechter verplicht is om alle wetgeving en bestuur direct aan het EVRM te toetsen. Dat geldt dus ook het recht op family life in art. 8 EVRM, omdat het een “ieder verbindende bepaling” betreft.

Art. 8 EVRM luidt:

Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Lid 1 geeft het uitgangspunt. Ieder heeft recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Dat betekent dat het uitgangspunt is dat de overheid of anderen zich daar niet in mogen mengen.

Lid 2 definieert een aantal uitzonderingen. Het gaat om een limitatief opgesomd en nauwkeurig omschreven aantal uitzonderingen. Die uitzonderingen moeten steeds worden gelezen in het licht van de preambule bij het EVRM. In die preambule is duidelijk vastgelegd dat het artikel moet worden gelezen in de context van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN:

Gelet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is afgekondigd;

Overwegende, dat deze Verklaring ten doel heeft de universele en daadwerkelijke erkenning en toepassing van de rechten die daarin zijn nedergelegd te verzekeren;

Andere uitzonderingen zijn er niet. Kort gezegd, en onder weglating van details, komt de werking van ons rechtssysteem daarop neer dat internationaal recht boven de Grondwet gaat; de Grondwet gaat boven wetten in formele zin; en wetten in formele zin gaan weer boven andere (materiële) wet- en regelgeving.

Lagere regelgeving kan dus nooit derogeren aan het internationale recht op family life. Dat geldt voor beleid en eigen protocollen van jeugdzorginstellingen, ongeacht of die de status van “gecertificeerde instelling” (GI) hebben. Het geldt voor alles, dus zelfs voor formele wetgeving zoals titel 14 (het gezag over minderjarige kinderen) en titel 15 (omgang en informatie) van boek 1 BW. Sterker nog, past de rechter het verkeerd toe of legt de rechter het verkeerd uit, rechtvaardigt dat een klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Nederlands juridisch kader

In titels 14 en 15 van boek 1 BW wordt omgang en gezag met minderjarige kinderen geregeld. Voor wat betreft gezag staat het wettelijk uitgangspunt in art.1:245 lid 3 BW:

Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door een ander dan een ouder uitgeoefend.

Dat strookt in zoverre nog met het uitgangspunt van art. 8 EVRM. Het gaat echter mis in afdeling 4 over de ondertoezichtstelling van minderjarigen. In art. 1:255 lid 1 BW wordt bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling (GI). De voorwaarden waaraan voldaan moet zijn, staan in lid 1 aanhef en onder a en b. Het betreft steeds cumulatieve voorwaarden. Aan alle voorwaarden moet voldaan zijn, wil een ondertoezichtstelling (OTS) gerechtvaardigd zijn.

De voorwaarden zijn:

het kind groeit zodanig op dat het in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd;er is zorg noodzakelijk die de bedreiging wegneemt;die zorg is noodzakelijk voor de minderjarige, of de ouder(s) die het gezag uitoefenen;de ouder(s) accepteren die zorg niet of onvoldoende;er bestaat een gerechtvaardigde verwachting dat de ouder(s) alsnog in staat zullen zijn om hun verantwoordelijkheid te nemen binnen een termijn die voor het kind aanvaardbaar mag worden geacht, gelet op de persoon en de ontwikkeling van het kind.

Voor de zorg waar het onder (5) om gaat, wordt verwezen naar art. 1:247 lid 2. Art. 1:247 lid 2 luidt:

Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.

In de tweede volzin is vastgelegd dat de ouders het kind niet mogen blootstellen aan psychische of lichamelijke mishandeling en het evenmin op een andere manier mogen vernederen. Dit is in zoverre volledig te rijmen met internationaal recht, al is het slot (“enige andere vernederende behandeling”) wellicht wat nog ruim geformuleerd en mogelijk nog vatbaar voor interpretatie. Maar in een situatie waarin internationaal recht wordt nageleefd en objectief feitenonderzoek wordt gedaan, zal dat in de praktijk meevallen. Iedereen begrijpt uiteindelijk wel wat ermee wordt bedoeld.

Waar de tweede volzin nog betrekkelijk weinig aan de verbeelding overlaat, is vooral de eerste volzin ruim omschreven en daarmee vatbaar voor persoonlijke invulling. In aanvaardbare omstandigheden – dus waarin de rechter die zich bijv. over een OTS buigt, zich baseert op objectief feitenonderzoek vanuit de jeugdzorg en steeds het recht op family life art. 8 EVRM als uitgangspunt blijft hanteren – zal dat op zich niet heel snel uitmonden in interpretatieproblemen. In Nederland is de situatie echter al jarenlang anders. Het uitgangspunt binnen de jeugdzorg is dat er juist géén objectief feitenonderzoek wordt gedaan. Dat betekent dat rechters dus voortdurend beslissingen blijven nemen die haaks staan op het uitgangspunt van art. 8 EVRM, en daarmee continu internationaal recht blijven schenden.

Geen denkbeeldig risico

Het betreft hier geen denkbeeldig risico. Het gaat niet slechts om een situatie waarin ‘wellicht de mogelijkheid zou kunnen bestaan’ dat het recht op family life wordt geschonden. Het recht op family life staat onder hoogspanning omdat de rechten van ouders en kinderen daadwerkelijk stelselmatig door de familierechter worden geschonden.

Een voorbeeld is het rapport van de Kinderombudsman Amsterdam uit 2018 waar gesproken wordt van “prangende knelpunten” rondom thema’s zoals waarheidsvinding en neutraliteit. Zo wordt op p. 3 vermeld dat “in gezinsplannen en andere rapportages onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen feiten en meningen.” Op p. 4 wordt gewag gemaakt van regelmatige inhoudelijke onjuistheden in gezinsplannen en rapportages. Er wordt gesproken over gezinsmanagers die niet bereid zijn om rapportages te herzien, ook al waren andere betrokken (professionele) partijen van mening dat het te kort door te bocht was geformuleerd. In gezinsplannen worden voornamelijk negatieve aspecten over een ouder genoemd, ook al laat de opmaak expliciet ruimte om dingen te vermelden die goed gaan. Vermeldingen van andere betrokken organisaties worden klakkeloos overgenomen, zonder zelf onderzoek te doen. Er wordt melding gemaakt van onvolkomenheden in communicatie en verslaglegging.

Dit is dan nog beperkt tot het optreden van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JEBRA), waar zich intussen zelfs excessen hebben voorgedaan die tenminste al een keer hebben uitgemond in een contactverbod voor een gezinsmanager die het écht te bont had gemaakt.

Maar ook meer in den brede doen zich in Nederland schrijnende situaties voor. In het blad “Mr.” verscheen zelfs een ervaringsverhaal van een senior rechter in de rechtbank Amsterdam die zelf vastliep in de bureaucratie van de jeugdbescherming en de familierechtspraak. Sociaal pedagoog Harry Berndsen concludeerde na het bestuderen van tweehonderd dossiers dat er iets grondig fout zit in de jeugdzorg. “Medewerkers doen geen gedegen feitenonderzoek, waardoor kinderen onterecht uit huis of onder toezicht worden geplaatst.” Er verschijnt boek na boek over ouders die zich emotioneel gevangen voelen, en kinderen die te maken krijgen met ouderverstoting als gevolg van het optreden van de jeugdzorg. Monique Meulemans schreef er in 2020 een indrukwekkend boek over. Tweede Kamerlid René Peters (CDA) publiceerde een boek “Zorgen over de jeugdzorg” waarin hij ingaat op kwesties rond gebrek aan geld en samenwerking, lange wachtlijsten, bureaucratie en kwetsbare kinderen voor wie geen goede hulp is. Een indrukwekkend boek is “Gepleegd” van Jasper Heijting, die zelf slachtoffer is geworden van een onveilige thuissituatie. De jeugdzorg wist van alle misstanden maar ondernam geen actie. De lijst gaat maar door en door.

Waar gaat het mis?

Waar het juridisch misgaat, is betrekkelijk kort samen te vatten. De Nederlandse familierechter vertrekt vanuit boek 1 BW, en dan met name titels 14 en 15 over omgang en gezag. De rechter is daarbij verplicht om het recht op family life van art. 8 EVRM tot uitgangspunt te nemen. In lid 2 staat een limitatief opgesomd en nauwkeurig omschreven aantal uitzonderingen op het uitgangspunt van lid 1, dat inhoudt dat een ieder recht heeft op zijn eigen gezinsleven, en dat de overheid dat recht dient te respecteren. Die uitzonderingen moeten worden gelezen in de context van de preambule van het EVRM, dat weer verwijst naar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN. Kortom, wil je een inbreuk maken op het gezinsleven, dan zal je met objectieve feiten moeten komen die van een dermate zwaar gewicht zijn, dat daarmee een inbreuk op het mensenrecht op family life gerechtvaardigd is.

En dat gebeurt niet. De Nederlandse familierechter onderzoekt zelf namelijk geen feiten, maar besteedt dat onderzoek uit aan de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad onderzoekt zelf evenmin, maar besteedt het onderzoek op haar beurt weer uit aan gecertificeerde instellingen (zoals JEBRA, Jeugdbescherming Regio Amsterdam in het voorbeeld hierboven). Die instellingen zoals JEBRA werken vaak weer op basis van externe rapportages die worden aangeleverd door gemeentelijke jeugdteams.

Er wordt daarbij soms gebruik gemaakt van mediation, waarbij de Mediatorsfederatie Nederland (MfN) er geen principieel bezwaar in lijkt te zien dat daar registermediators voor worden ingezet die afkomstig zijn vanuit de jeugdzorg. Dat leidt dan weer onvermijdelijk tot problematiek en tuchtzaken over registermediators die vanuit onverenigbare rollen opereren. De onafhankelijke Stichting Tuchtrechtspraak Mediation (STM) merkt daarover op:

Uit de klacht en het verweer leidt de Tuchtcommissie af dat veel klachten zijn voortgekomen uit de verschillende hoedanigheden waarin de mediator is opgetreden, namelijk als 3 hulpverlener (gezinsmanager) en als mediator. Naar het oordeel van de Tuchtcommissie had de mediator vanuit de aanvankelijke hulpverleningssituatie nooit de rol van mediator op zich mogen nemen. Er zijn fundamentele en niet te overbruggen verschillen tussen de werkzaamheden van een hulpverlener en die van mediator. Een rolwisseling leidt, gelet daarop, noodzakelijkerwijs tot misverstanden bij betrokkenen en daardoor ook tot conflicten, die in de onderhavige kwestie volledig uit de hand zijn gelopen. Een hulpverleningsinstantie zou dan ook naar het oordeel van de Tuchtcommissie nooit uit de eigen gelederen een mediator naar voren moeten brengen.

De kritiek wordt echter niet adequaat opgepakt door de MfN, zodat het probleem blijft bestaan. De betrokkenheid van een registermediator geeft de bevindingen van de jeugdzorgorganisatie uit de gelederen waarvan hij zelf afkomstig is, toch enig cachet, terwijl het in werkelijkheid vaak gewoon om een gezinsmanager gaat, die op dat specifieke moment even naar voren wordt geschoven als registermediator, om vervolgens weer verder te gaan in de rol van gezinsmanager.

Ook wordt er niet zelden gebruik gemaakt van externe zorginstellingen en (particuliere) bureaus die allemaal weer hun eigen programma volgen. Het gaat dan om programma’s zoals “Kind in de knel”, “Samen Hier”, “Ouderschap Blijft”. Deze externe zorginstellingen en particuliere bureaus worden sinds de decentralisering van de jeugdzorg door gemeentes gefinancierd. Er zijn vaak lange wachtlijsten en niet alleen is de effectiviteit van deze programma’s beperkt (en bovendien lastig meetbaar), maar soms werken zij ronduit contraproductief.

In sommige gevallen is het Openbaar Ministerie betrokken. Boek 1 BW geeft daar her en der wel aanknopingspunten voor. Zo kan, op basis van art. 1:255 lid 2 BW, een OTS plaatsvinden op verzoek van het OM. In zoverre strekt het mandaat van het OM dus blijkbaar verder dan enkel het bestrijden van criminaliteit.

Daarbij kun je je afvragen in hoeverre dat wel wenselijk is, aangezien het OM natuurlijk verregaande bevoegdheden heeft op het gebied van opsporing en handhaving. Op het moment dat het OM tegelijkertijd met taken op het gebied van jeugdzorg bekleed is, bestaat daarmee in beginsel het risico dat die taken door elkaar gaan lopen, en dat het OM in voorkomende gevallen het strafrecht bijvoorbeeld functioneel zou kunnen inzetten om bij te sturen in een familierechtelijke setting.

Zou dat gebeuren, zou alsdan de grondslag van het strafrecht worden verlaten, dat uiteindelijk bedoeld is als ultimum remedium in het kader van speciale en algemene preventie en de vergelding van crimineel gedrag. Dat wordt temeer problematisch op het moment dat het OM zich bij een dergelijke inschatting zou baseren op uit de jeugdzorg afkomstige informatie, die immers niet gebaseerd is op feitenonderzoek. Hiermee is niet gezegd dat dit voortdurend gebeurt, maar de mogelijkheid is evenmin voorshands uitgesloten. Je kan je in zoverre dan ook afvragen in hoeverre het OM eigenlijk wel in boek 1 BW thuishoort.

In het merendeel van de gevallen gaat de verslaglegging, waar de Raad voor de Kinderbescherming verantwoordelijk voor is, over zoveel schijven dat de (onafhankelijke) controleerbaarheid in individuele gevallen onder zware druk staat. Problematisch is daarbij dat jeugdzorgmedewerkers werken op basis van (meestal per instelling verschillende) protocollen waarin vaak zelfs woordelijk is vastgelegd dat niet wordt gestreefd naar waarheidsvinding. Objectief feitenonderzoek wordt daarmee categorisch uitgesloten omdat het vanuit de betreffende instellingen, en op basis van hun eigen protocollen die voor hun handelen leidend zijn, onwenselijk wordt geoordeeld. “Iedereen heeft zijn eigen waarheid” is het devies. De leidende overtuiging is dat objectief feitenonderzoek niet passend zou zijn in een jeugdzorgsetting.

De vele individuele rapporten en adviezen die op die manier bij de afzonderlijke en decentraal georganiseerde partijen tot stand komen, gaan naar de Raad voor de Kinderbescherming. Die onderzoekt niet zelf, maar vat de bevindingen samen in een raadsrapport. Dat rapport wordt weer teruggekoppeld aan de familierechter. De familierechter baseert zich in het overgrote merendeel van de gevallen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, en velt vervolgens een oordeel over omgangs- en gezagskwesties aan de hand van titels 14 en 15 van boek 1 BW.

Rechtsgevolg

Dat betekent dat de beslissingen die de Nederlandse familierechter neemt, structureel niet zijn gebaseerd op objectief en controleerbaar feitenonderzoek. Nederland schendt daarmee structureel het recht op family life zoals dat in art. 8 EVRM wordt gegarandeerd, omdat niet aan de uitzonderingsgronden van lid 2 wordt voldaan. Een uitzondering op het uitgangspunt dat ieder recht heeft op respect voor zijn gezinsleven, ook vanuit de overheid, is alleen te rechtvaardigen als dat gebaseerd is op objectief en controleerbaar feitenonderzoek.

De situatie is dermate schrijnend dat ik mij afvraag in hoeverre het niet eens tijd wordt dat de Staat der Nederlanden hiervoor krachtig terecht wordt gewezen door het Europees Hof. Tot nu toe lijkt het op “pappen en nathouden”.

Kinderen komen daardoor in de knel en worden geconfronteerd met schrijnende situaties, waaronder ouderverstotingsproblematiek of problemen met identiteitsvorming, en kunnen posttraumatische stressklachten of persoonlijkheidsproblematiek ontwikkelen als gevolg van deze stelselmatige schendingen van internationaal recht. Ouders krijgen soms jarenlang hun kind niet te zien en gaan daar emotioneel aan onderdoor, zeker omdat zij op een muur van bureaucratie, onbegrip en vooral gebrek aan empathie vanuit de betrokken jeugdzorg én de familierechter stuiten.

Niemand heeft er intussen enig zicht op of intussen de voorwaarden van art. 1:255 lid 1 aanhef en sub a en b BW wel of niet worden geschonden, en of een kind bijvoorbeeld wel bij de juiste ouder is geplaatst, juist vanwege het ontbreken van objectief feitenonderzoek.

De pijn zit hem vooral in de ruime formulering van de criteria in art. 1:255 lid 1 BW, en – in het verlengde daarvan – in art. 1:247 lid 2 BW. Er wordt gebruik gemaakt van open normen zoals “ernstige bedreiging”, “noodzakelijke zorg”, “niet of onvoldoende accepteren van de zorg voor de betrokken ouders”, “geen gerechtvaardigde verwachting dat dat in afzienbare tijd zal veranderen”.

Normaal gesproken zijn open normen niet heel problematisch. Aan de hand van jurisprudentie wordt de invulling daarvan dan wel nader bepaald. Zelfs met een open norm zoals die van art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW, “onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid”, blijkt in de praktijk uitstekend gewerkt te kunnen worden. Aan de hand van voortdurende nieuwe rechtspraak wordt de invulling van zo’n open norm dan vanzelf steeds nauwkeuriger bepaald.

Een enkele keer gaat de Hoge Raad dan nog wel eens ‘om’, zoals in het befaamde arrest Lindenbaum/Cohen, wat dan aanleiding is voor juridische polemieken en academische publicaties waarin dan de alarmklok wordt geluid over de onbepaaldheid van zo’n open norm, maar in de praktijk komt dat uiteindelijk altijd wel goed. Zo heb ik zelf een keer mijn zorg uitgesproken over de nieuwe koers van de Hoge Raad inzake passief en actief wanpresteren door de faillisementscurator, omdat de ontwikkelingen in de arresten Nebula, Berzona en Credit Suisse/Jongepier mij enigszins opvielen.

In al die gevallen gaat het om academische overwegingen. Waar het in deze bijdrage echter om gaat, is over hoe je als samenleving omgaat met omgang en gezag over kinderen. Dat is naar zijn aard geen thema dat zich leent voor bedenkingen zoals: we werken weliswaar met een open norm, maar aan de hand van de jurisprudentie zien we vanzelf wel in welke richting het zich o

Leopold II

Table of Contents

HomePolitics, Law & GovernmentWorld LeadersKings

Leopold II

king of Belgium

Alternate titles: Leopold Lodewijk Filips Maria Victor, Leopold-Louis-Philippe-Marie-Victor

Cite More

By Adam Hochschild • Edit History

TOP QUESTIONS

How did Leopold II become famous?

What was Leopold II’s family like?

How did Leopold II change the world?

What was Leopold II’s legacy?

Leopold II, French in full Léopold-Louis-Philippe-Marie-Victor, Dutch in full Leopold Lodewijk Filips Maria Victor, (born April 9, 1835, Brussels, Belgium—died December 17, 1909, Laeken), king of the Belgians from 1865 to 1909. Keen on establishing Belgium as an imperial power, he led the first European efforts to develop the Congo River basin, making possible the formation in 1885 of the Congo Free State, annexed in 1908 as the Belgian Congo and now the Democratic Republic of the Congo. Although he played a significant role in the development of the modern Belgian state, he was also responsible for widespread atrocities committed under his rule against his colonial subjects.

Leopold II

Leopold II.

Encyclopædia Britannica, Inc.

Leopold II

See all media

Born:Died:Title / Office:House / Dynasty:

See all related content →

Domestic policies

The country of Belgium itself was only about five years old at the birth of Leopold II, who became the eldest surviving son of Leopold I, first king of the Belgians, and his second wife, Louise-Marie of Orléans. Then, as they would be into the 21st century, most of the royal families of Europe were related. For instance, Leopold II was a first cousin of Queen Victoria of Britain. He became duke of Brabant in 1846 and served in the Belgian army. In 1853 he married Marie-Henriette, daughter of the Austrian archduke Joseph, palatine of Hungary, and became king of the Belgians on his father’s death in December 1865.

Most of the monarchs in western Europe had been forced to largely yield political power to the electorate by the late 19th century, so Belgium’s parliament and cabinet were the real locus of power, but Leopold used the prestige of the monarchy to lobby for pet projects. Although the domestic affairs of his reign were dominated by a growing conflict between the Liberal and Catholic parties over suffrage and education issues, Leopold concentrated on developing the country’s defenses. Aware that Belgian neutrality, maintained during the Franco-German War (1870–71), was imperilled by the increasing strength of France and Germany, he persuaded parliament in 1887 to finance the fortification of Liège and Namur.

The royal coffers would become a central focus of Leopold’s life, and he once grumbled to German Emperor William II while watching a parade in Berlin, “There is really nothing left for us kings except money!” Leopold soon decided that the best way to acquire wealth would be by establishing an African colony, at a time when the great European “Scramble for Africa” was under way. In 1870 more than 80 percent of Africa south of the Sahara was under the rule of indigenous chiefs or kings. Forty years later virtually all of it had been transformed into European colonies, protectorates, or territories ruled by white settlers

Zie: ZokuAmsterdam.nl Adresses

Maxius.nl voorheen Lexius.nl

» Home» Adverteren» Contact

Home Zoeken Favorieten Vacatures

 

» Energiewijzer «advertorial

Bespaar geld en stap over!

Energiewijzer.nl, eerlijk over energie.

Inhoudsopgave

+ Eerste Boek. Algemene bepalingen

- Tweede Boek. Misdrijven

+ Titel I. Misdrijven tegen de veiligheid van de staat

+ Titel II. Misdrijven tegen de koninklijke waardigheid

+ Titel III. Misdrijven tegen hoofden van bevriende Staten en andere internationaal beschermde personen

+ Titel IV. Misdrijven betreffende de uitoefening van staatsplichten en staatsrechten

+ Titel V. Misdrijven tegen de openbare orde

+ Titel VI

+ Titel VII. Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen wordt in gevaar gebracht

+ Titel VIII. Misdrijven tegen het openbaar gezag

+ Titel IX. Meineed

+ Titel X. Valsheid in muntspeciën en munt- en bankbiljetten

+ Titel XI. Valsheid in zegels en merken

+ Titel XII. Valsheid met geschriften, gegevens en biometrische kenmerken

+ Titel XIII. Misdrijven tegen de burgerlijke staat

+ Titel XIV. Misdrijven tegen de zeden

+ Titel XV. Verlating van hulpbehoevenden

+ Titel XVI. Belediging

+ Titel XVII. Schending van geheimen

+ Titel XVIII. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid

+ Titel XIX. Misdrijven tegen het leven gericht

+ Titel XIXA. Afbreking van zwangerschap

+ Titel XX. Mishandeling

+ Titel XXI. Veroorzaken van de dood of van lichamelijk letsel door schuld

+ Titel XXII. Diefstal en stroperij

+ Titel XXIII. Afpersing en afdreiging

+ Titel XXIV. Verduistering

- Titel XXV. Bedrog

Artikel 326

Artikel 326a

Artikel 326bis

Artikel 326b

Artikel 326c

Artikel 327

Artikel 328

Artikel 328bis

Artikel 328ter

Artikel 328quater

Artikel 329

Artikel 329bis

Artikel 330

Artikel 331

Artikel 332

Artikel 333

Artikel 334

Artikel 335

Artikel 336

Artikel 336a

Artikel 337

Artikel 338

Artikel 339

- Titel XXVI. Benadeling van schuldeisers of rechthebbenden

Artikel 340

Artikel 341

Artikel 342

Artikel 343

Artikel 344

Artikel 345

Artikel 346

Artikel 347

Artikel 348

Artikel 349

Artikel 349bis

Artikel 349ter

Artikel 349quater

- Titel XXVII. Vernieling of beschadiging

Artikel 350

Artikel 350a

Artikel 350b

Artikel 350c

Artikel 350d

Artikel 351

Artikel 351bis

Artikel 352

Artikel 353

Artikel 354

Artikel 354a

- Titel XXVIII. Ambtsmisdrijven

Artikel 355

Artikel 356

Artikel 357

Artikel 358

Artikel 358bis

Artikel 358ter

Artikel 358quater

Artikel 359

Artikel 360

Artikel 361

Artikel 362

Artikel 363

Artikel 364

Artikel 364a

Artikel 365

Artikel 366

Artikel 367

Artikel 368

Artikel 369

Artikel 370

Artikel 371

Artikel 372

Artikel 373

Artikel 374

Artikel 374bis

Artikel 375

Artikel 376

Artikel 377

Artikel 378

Artikel 379

Artikel 380

+ Titel XXIX. Scheepvaart- en luchtvaartmisdrijven

+ Titel XXX. Begunstiging

+ Titel XXXA. Witwassen

+ Titel XXXI. Financieren van terrorisme

+ Derde Boek. Overtredingen

Geschiedenis-overzicht

Artikel 355 Wetboek van Strafrecht

PDF downloadenDoorsturenJuridische vraag?

Bwb-id:

BWBR0001854

Officiele titel:

Wet van 3 maart 1881

Citeertitel:

Wetboek van Strafrecht

Ook bekend als:

Sr, WvSr, WvS

Soort regeling:

Wet

Wetsfamilies:

Wetboek van Strafrecht

Eerst verantwoordelijk ministerie:

Veiligheid en Justitie

Geldigheidsdatum:

9 maart 2022

Ingangsdatum:

20 april 2016

vorige volgende

Download PDF-versie

Stuur deze wet door via email

Stel een juridische vraag

» Vergelijk internet, digitale tv en bellen «advertorial

Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!

Tweede Boek. Misdrijven

Titel XXVIII. Ambtsmisdrijven

Artikel 355Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, worden gestraft de hoofden van ministeriële departementen:

1°. die hun medeondertekening verlenen aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen, wetende dat daardoor de Grondwet of andere wetten of algemene maatregelen van inwendig bestuur van de staat worden geschonden;

2°. die uitvoering geven aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen, wetende dat deze niet van de vereiste medeondertekening van een der hoofden van de ministeriële departementen zijn voorzien;

3°. die beschikkingen nemen of bevelen geven of bestaande beschikkingen of bevelen handhaven, wetende dat daardoor de Grondwet of andere wetten of algemene maatregelen van inwendig bestuur van de staat worden geschonden;

4°. die opzettelijk nalaten uitvoering te geven aan de bepalingen van de Grondwet of andere wetten of algemene maatregelen van inwendig bestuur van de staat, voor zover die uitvoering wegens de aard van het onderwerp tot hun ministeriële departementen behoort of uitdrukkelijk hun is opgedragen.

Afbeelding van ZokuAmsterdam.NL Adresses Booking Apartheids & Discrimination Groenlinks

ARREST – Etxebarria Caballero t. Spanje en Ataun Rojo) t. Spanje – 7 oktober 2014 –

persbericht – arrest Etxebarria Caballero (nivo 3) – arrest Ataun Rojo (nivo 3)

Beide zaken hebben betrekking op het onderzoek door de Spaanse autoriteiten naar een

vermeende mishandeling van klagers toen zij in eenzame opsluiting werden gehouden door

de politie. Ze werden gearresteerd door de politie en door de geheime politie in hechtenis

gezet in het kader van een gerechtelijk onderzoek naar, in het bijzonder, hun vermeende

lidmaatschap van de terroristische organisatie ETA.

In beide zaken oordeelt het hof dat er sprake is van een schending van artikel 3 wegens het

ontbreken van een doeltreffend onderzoek naar de beschuldigingen van mishandelingen.

Een schending van artikel 3 op grond van de vermeende mishandeling van klager

Etxebarria Caballero wordt niet door het Hof aangenomen. Het hof benadrukt dat een

effectief onderzoek dat nodig is in het licht van de kwetsbare positie waarin verzoekers zich

bevonden niet is uitgevoerd en het belang van het nemen van maatregelen ter verbetering

Afbeelding van ZokuAmsterdam.NL Adresses Booking Apartheids & Discrimination Groenlinks

Delen met vrienden